K.A.V. Alcuinus: verschil tussen versies

Uit K.A.V. Alcuinus
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Geen bewerkingssamenvatting
Regel 25: Regel 25:
*Nieuwelingen zouden in ‘lichte mate’ worden ontgroend en aan het einde van hun eerste semester al als lid worden geïnstalleerd.
*Nieuwelingen zouden in ‘lichte mate’ worden ontgroend en aan het einde van hun eerste semester al als lid worden geïnstalleerd.
*Leden zouden bij officiële gelegenheden een pet, lint en Zipfel (corpslint) dragen, zoals gebruikelijke bij Duitse verenigingen.
*Leden zouden bij officiële gelegenheden een pet, lint en Zipfel (corpslint) dragen, zoals gebruikelijke bij Duitse verenigingen.
*Te zijner tijd zou, zoals gebruikelijk bij de Duitse studentenverenigingen, een Altherrenschaft of Philisterium worden opgericht. Echter los van de Activitas en met een Nederlands karakter.
*Te zijner tijd zou, zoals gebruikelijk bij de Duitse studentenverenigingen, een [[Altherrenschaft]] of [[Philisterium]] worden opgericht. Echter los van de Activitas en met een Nederlands karakter.


Deze zaken zouden in statuten en/of huishoudelijk reglement worden vastgelegd. Uiteraard moest er een naam voor de vereniging worden bedacht. En er moest een moderator worden gevonden.  
Deze zaken zouden in statuten en/of huishoudelijk reglement worden vastgelegd. Uiteraard moest er een naam voor de vereniging worden bedacht. En er moest een moderator worden gevonden.  
Regel 42: Regel 42:
Aanmelding en erkenning door de KSG (Katholische Studentengemeinschaft) verliepen aanvankelijk probleemloos. Door toedoen van Hollandia hebben zich echter in het zomersemester 1959 ook hier nog moeilijkheden voorgedaan.  
Aanmelding en erkenning door de KSG (Katholische Studentengemeinschaft) verliepen aanvankelijk probleemloos. Door toedoen van Hollandia hebben zich echter in het zomersemester 1959 ook hier nog moeilijkheden voorgedaan.  


Uiteraard werd er ook aandacht besteed aan de opzet en vormgeving van een jaarlijks (dies-)feest. Het eerste officiële diesfeest vond pas plaats op 28 februari 1959 in de stadsschouwburg van Sittard. Als ‘vingeroefening’ vooraf werd er aan het einde van het wintersemester 1957/1958 in hotel-restaurant Vaassen een feestje in gewoon ornaat met dames gebouwd.  
Uiteraard werd er ook aandacht besteed aan de opzet en vormgeving van een jaarlijks (dies-)feest. Het eerste officiële diesfeest vond pas plaats op 28 februari 1959 in de stadsschouwburg van Sittard.  


Met dit feestje eindigde het eerste semester in het bestaan van Alcuinus. Aangezien er eerder besloten was dat er elk semester een nieuw bestuur zou aantreden werd voor het zomersemester 1958 een nieuw bestuur gekozen dat bestond uit Ben Quanjel (preses), Joep Thoma (abactis) en wederom Ger Schmets (quaestor).
Aangezien er eerder besloten was dat er elk semester een nieuw bestuur zou aantreden werd voor het zomersemester 1958 een nieuw bestuur gekozen dat bestond uit Ben Quanjel (preases), Joep Thoma (abactis) en wederom Ger Schmets (quaestor). Ben Quanjel is de persoon die in de eerste jaren van Alcuinus enorm veel voor de vereniging betekent heeft.  


===Koninklijke goedkeuring===
===Koninklijke goedkeuring===
Regel 68: Regel 68:


===Professor Debye als beschermheer===
===Professor Debye als beschermheer===
Begin december 1958 kwam Egid Niël bij Lou Vermin eens polsen of Alcuinus niet op zoek zou moeten gaan naar een goede beschermheer. Hij liet toen tevens de naam vallen van prof. [[Debye]] en verwees daarbij naar de relatie die er bestond tussen prof. Debye en zijn (Egid's) achternicht, die oomzegger was van prof. Debye. Verder was de achternicht getrouwd met een van de nieuwe leden van Alcuinus: André.
Begin april 1959 ging een officiële uitnodiging van het bestuur uit naar prof. Debye waarin hem een beschermheerschap van Alcuinus werd aangeboden en hem verzocht werd dit te willen aanvaarden. Per brief, die gedateerd was 15 mei 1959, ontving het bestuur de schriftelijke bevestiging dat hij de benoeming graag zou aanvaarden. Hier werd de hoogmoed van Hollandia uit het verre verleden genadeloos afgestraft. Prof. Debye was niet vergeten dat hij in de tijd dat hij student aan de RWTH was geweest, geweigerd werd als lid van Hollandia vanwege zijn (te geringe) afkomst. Hij was maar ‘spoorstudent’. Dit feit en de uiteindelijke erkenning van zijn wetenschappelijke verdiensten door zijn eigen [[Alma Mater]] de RWTH in Aken, zijn geboortestad Maastricht en de provincie Limburg zijn naar alle waarschijnlijkheid de diepere beweegredenen geweest voor prof. Debye ook het beschermheerschap over Alcuinus te aanvaarden.
 
Begin april 1959 ging een officiële uitnodiging van het bestuur uit naar prof. Debye waarin hem het beschermheerschap werd aangeboden en hem verzocht werd dit te willen aanvaarden. Per brief, die gedateerd was 15 mei 1959, ontving het bestuur de schriftelijke bevestiging dat hij de benoeming graag zou aanvaarden. Hier werd de hoogmoed van Hollandia uit het verre verleden genadeloos afgestraft. Prof. Debye was niet vergeten dat hij in de tijd dat hij student aan de RWTH (omstreeks 1900) was geweest, geweigerd werd als lid van Hollandia vanwege zijn (te geringe) afkomst. Hij was maar ‘spoorstudent’. Dit feit en de uiteindelijke erkenning van zijn wetenschappelijke verdiensten door zijn eigen Alma Mater de RWTH in Aken, zijn geboortestad Maastricht en de provincie Limburg zijn naar alle waarschijnlijkheid de diepere beweegredenen geweest voor prof. Debye ook het beschermheerschap over Alcuinus te aanvaarden.


Via André wisten wij mondeling al vrij snel dat de brief van het bestuur bij prof. Debye in goede aarde was gevallen en dat hij het beschermheerschap definitief zou aanvaarden. Deze wetenschap was voor ons van belang voor onze eigen strategie. Inmiddels was ook Ben Quanjel in het complot betrokken, en dit was echt een kolfje naar zijn hand. Achteraf kun je er met een glimlach op terugkijken, maar destijds was het een bloedserieus gevecht waarbij de direct betrokkenen van Alcuinus-zijde vaker dan eens verzuchtten: ‘Het lijkt wel alsof Alcuinus belangrijker is dan onze studie.’
Via André wisten wij mondeling al vrij snel dat de brief van het bestuur bij prof. Debye in goede aarde was gevallen en dat hij het beschermheerschap definitief zou aanvaarden. Deze wetenschap was voor ons van belang voor onze eigen strategie. Inmiddels was ook Ben Quanjel in het complot betrokken, en dit was echt een kolfje naar zijn hand. Achteraf kun je er met een glimlach op terugkijken, maar destijds was het een bloedserieus gevecht waarbij de direct betrokkenen van Alcuinus-zijde vaker dan eens verzuchtten: ‘Het lijkt wel alsof Alcuinus belangrijker is dan onze studie.’

Versie van 19 jan 2015 17:39

Het logo van K.A.V. Alcuinus

K.A.V. Alcuinus is kort voor Katholieke Academische Vereniging ‘Alcuinus’; vereniging van Nederlandse studenten en afgestudeerden van de Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule te Aken.

Alcuinus is dé Nederlandse studie- en studentenvereniging van de RWTH en FH Aachen. Als Nederlandse studentenvereniging zetten zij zich zich in voor de bevordering van de geestelijke, culturele en maatschappelijke belangen van de Nederlandse studenten.

In 1957 stichtte een groep ontevreden studenten deze nieuwe vereniging in Aken. K.A.V. Alcuinus. Op 13 juli 1959 werd Alcuinus algemeen erkend door Koningin Juliana en startte de bevlogen geschiedenis der Alcuinezen. Het ontwikkelde zich tot een democratische vereniging, onderhield levendige internationale contacten, manifesteerde zich op sportevenementen en organiseerde vele, vaak ‘natte’ feesten voor zijn leden.

Ook tegenwoordig is Alcuinus nog dé studie- en studentenvereniging voor Nederlandse studenten in Aachen. Alcuinus organiseert iedere maand diverse activiteiten voor Nederlanders in Aken.

Buiten activeiten voor haar leden helpt Alcuinus ook studenten en scholieren die interesse hebben aan een studie in Aken. Zo worden er onder andere meeloopdagen, voorlichtingen en informatieavonden georganiseerd. Zo is ook het project Studeren in Aken het geesteskind van de leden van Alcuinus.

Geschiedenis

Dit is nog heel veel tekst. Ik sla hem alleen af en toe hier tussendoor op. Ik pas hem nog zodanig aan dat het een normaal wiki artikel is.

Tot medio 1957 was de Akademische Vereeniging (A.V.) Hollandia de enige vereniging van Nederlandse studenten aan de RWTH Aachen. Deze in 1885 opgerichte vereniging was op Duitse leest geschoeid, wat onder meer tot gevolg had dat het ledental tot circa 50 leden werd beperkt. Wanneer een Duitse studentenvereniging te groot dreigde te worden, werd er een zustervereniging afgesplitst (Unitas-Verbindung). Ofschoon er medio jaren vijftig ongeveer 250 Nederlandse studenten aan de RWTH studeerden, was Hollandia niet van plan een zustervereniging op te richten. Omdat het als buitenlander praktisch onmogelijk was lid te worden van een Duitse vereniging, stonden dus ongeveer 200 Nederlandse studenten aan de rwth Aachen in de kou.

Dat het in 1957 tot de oprichting van een tweede vereniging kwam, lag in de lijn der verwachtingen. De monopoliestrategie van Hollandia, dat zo graag de stelregel huldigde van ‘slechts één gezicht van de Nederlandse studenten aan de RWTH' (oftewel Hollandia), had dit zelf uitgelokt.

De initiatiefnemer voor de oprichting van een tweede studentenvereniging was Egid Niël, een derdejaarsstudent chemie afkomstig uit Maastricht. Einde 1956 benaderde hij M.L.M. (Lou) Vermin, die hij nog kende van de middelbare school in Maastricht. Vermin was in het Sommersemester van 1956 aan de studie chemie begonnen. Na enige discussies werd tegen het einde van het zomersemester 1957 ten huize van de familie Math. Niël in de Bredestraat te Maastricht met de voorbereidingen voor de oprichting van een tweede studentenvereniging begonnen. Vanaf dat ogenblik werd Marcel Brouwers, een derde Maastrichtenaar en nog nuldejaarsstudent chemie, bij de plannen betrokken.

Uitgangspunten en strategie van de nieuwe vereniging

Uiteraard moest de nieuwe vereniging zich duidelijk onderscheiden van de A.V. Hollandia. Na een tweetal bijeenkomsten werd er voor de navolgende uitgangspunten gekozen:

  • De vereniging zou zich richten op de maatschappelijke en sociaal-culturele vorming van haar leden.
  • De vereniging zou op rooms-katholieke grondslag worden gebaseerd.
  • De vereniging zou op Nederlandse leest geschoeid worden; dat betekende Nederlandse studentenmores en geen numerus clausus voor het aantal leden.
  • Vestigingsplaats in Nederland zou, bij voorkeur, Vaals worden.
  • Nieuwelingen zouden in ‘lichte mate’ worden ontgroend en aan het einde van hun eerste semester al als lid worden geïnstalleerd.
  • Leden zouden bij officiële gelegenheden een pet, lint en Zipfel (corpslint) dragen, zoals gebruikelijke bij Duitse verenigingen.
  • Te zijner tijd zou, zoals gebruikelijk bij de Duitse studentenverenigingen, een Altherrenschaft of Philisterium worden opgericht. Echter los van de Activitas en met een Nederlands karakter.

Deze zaken zouden in statuten en/of huishoudelijk reglement worden vastgelegd. Uiteraard moest er een naam voor de vereniging worden bedacht. En er moest een moderator worden gevonden.

Voor het begin van het wintersemester 1957 waren de initiatiefnemers gereed met de voorbereidende werkzaamheden en kon de oprichtingsvergadering worden uitgeschreven. Een groot aantal Nederlandse studenten aan de RWTH werd uitgenodigd voor het bijwonen van de oprichtingsvergadering. Die vond plaats op 11 november 1957 in een zaaltje van hotel-restaurant Vaassen aan de Tentstraat in Vaals.

De oprichtingsvergadering werd bijgewoond door slechts een tiental belangstellenden, die nota bene allemaal chemie studeerden. Dit had dus meer weg van een faculteitsvereniging Chemie. Dit weerspiegelde zich uiteraard ook in de samenstelling van het bestuur in de eerstvolgende semesters. Hollandia sprak dan ook met grote minachting over een ‘Chemikerklub’.

Ondanks deze eenzijdige opkomst werd tijdens die vergadering besloten toch over te gaan tot de oprichting van een nieuwe Nederlandse studentenvereniging aan de RWTH in Aken. Er werd een bestuur gekozen: Jacques Prevoo (praeses), Lou Vermin (abactis) en Ger Schmets (quaestor). Zij kregen de opdracht statuten en een huishoudelijk reglement te ontwerpen, een geschikte naam te vinden, een moderator te zoeken, een verenigingsblad te ontwikkelen, ervoor te zorgen dat de vereniging door de Senaat van de RWTH Aachen officieel zou worden erkend als een studentenvereniging van de RWTH Aachen, het verwerven van het lidmaatschap van de Allgemeiner Studierenderausschuss (ASTA) en aansluiting bij de Katholische Studentengemeinschaft (KSG) te bewerkstelligen. Tevens werd de aanwezigen dringend verzocht meer leden te werven, vooral uit de niet-chemische studierichtingen. Dat was allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan, want de leden ondervonden op diverse fronten stevige weerstand van de A.V. Hollandia, die haar monopoliepositie bij de Nederlandse studenten ernstig in gevaar zag gebracht.

Wat gedacht werd dat het moeilijkste was - het vinden van een moderator en een geschikte naam-, werd het snelst opgelost: prof. dr. H. Dekkers (C.SS.R) werd de nieuwe moderator van K.A.V. Alcuinus. Van hem stamt ook het idee van de naam van de vereniging, genoemd naar Alcuinus van York.

Op weg naar officiële erkenning

De procedure voor officiële erkenning als studentenvereniging door de Senaat en de rector magnificus van de RWTH in Aken verliep probleemloos. In februari 1958 werd Alcuinus officieel erkend door de RWTH. De verwerving van het lidmaatschap van de ASTA had heel wat voeten in de aarde: Hollandia zorgde hier voor veel problemen en pas in het zomersemester 1958 werd de zaak geregeld door Ben Quanjel die naar de rector magnificus stapte.

Aanmelding en erkenning door de KSG (Katholische Studentengemeinschaft) verliepen aanvankelijk probleemloos. Door toedoen van Hollandia hebben zich echter in het zomersemester 1959 ook hier nog moeilijkheden voorgedaan.

Uiteraard werd er ook aandacht besteed aan de opzet en vormgeving van een jaarlijks (dies-)feest. Het eerste officiële diesfeest vond pas plaats op 28 februari 1959 in de stadsschouwburg van Sittard.

Aangezien er eerder besloten was dat er elk semester een nieuw bestuur zou aantreden werd voor het zomersemester 1958 een nieuw bestuur gekozen dat bestond uit Ben Quanjel (preases), Joep Thoma (abactis) en wederom Ger Schmets (quaestor). Ben Quanjel is de persoon die in de eerste jaren van Alcuinus enorm veel voor de vereniging betekent heeft.

Koninklijke goedkeuring

Onder de bezielende leiding van Ben Quanjel, die in militaire dienst straaljagerpiloot was geweest, is er in het tweede semester van het bestaan van Alcuinus bijzonder veel tot stand gebracht. Met bekwame spoed werden de statuten aangepakt: na veertien concepten kwamen de ontwerpstatuten aan het einde van dat semester gereed en werden in de ledenvergadering van 6 oktober 1958 goedgekeurd. Daarna werden deze voorgelegd aan het ministerie van Justitie voor koninklijke goedkeuring. Die werd verleend op 13 juli 1959.

Bij het bepalen van de datum van de lustrumfeesten wordt door de Activitas deze datum aangehouden als de oprichtingsdatum van Alcuinus. Tijdens dit semester ontwierp de vader van praeses Ben Quanjel een vaandel en de bul die tot op heden gebruikt wordt. De eerste bul werd op 17 juli 1958 uitgereikt.

In het zomersemester 1958 is er een redactieraad gevormd voor het latere lijfblad van Alcuinus met de ‘inspirerende en wervende’ naam Orgaan K.A.V. Alcuinus, met als ondertitel Corps Ned. Studenten Aken. De eerste hoofdredacteur werd Carel Daelman. Het eerste officiële nummer verscheen in december 1958.

Bijna kerkelijk verboden

Tijdens het zomersemester 1958 werd Alcuinus nog geconfronteerd met een merkwaardige nabrander van het lidmaatschap van de KSG. In die tijd verslechterde plotseling de relatie van Alcuinus met de KSG.

Hoewel Alcuinus in Aken actief was, was het gevestigd in Vaals. Om zich rooms-katholiek te mogen noemen, zou de vereniging kerkelijke goedkeuring moeten aanvragen bij het bisdom in Roermon. Dit was destijds echter vergeten. Bovendien had deze vereniging als moderator een kloosterling (kloosterlingen vallen niet onder de jurisdictie van het bisdom Roermond). Hollandia is destijds met deze fout naar de KSG toegestap, om de oprichting van Alcuinus te voorkomen.

Na een goed gesprek met het bestuur van Alcuinus was Pfarrer Holzmann (van de KSG) overtuigd van onze oprechte bedoelingen van de vereniging dat hij bij het begin van de audiëntie bij de vicaris-generaal Mgr. Odijk (in Roermond) knielend zijn excuses aanbood over de onjuiste informatie die hij aan het bisdom Roermond over Alcuinus zou hebben verstrekt. Deze daad maakte diepe indruk op tende aanwezigen. Dat was op Sacramentsdag 1958. Het bisdom verleende later de benodigde goedkeuringen, waaronder ook deze voor het moderatorschap van prof. dr. H. Dekkers c.ss.r.

Consolidatie onder aanvoering van Ben Quanjel

Ook al had hij zijn bestuursfunctie moeten neerleggen, één man was en bleef, weliswaar achter de schermen, zich zeer actief voor Alcuinus inzetten. Dat was Ben Quanjel.

Gedurende het wintersemester 1958/1959 werd de vereniging verder geconsolideerd. Zo was de introductie van de meerdaagse ontgroening in november 1959 op kasteel Revieren in Voerendaal (met diverse tonnen bier, bij elkaar gescharreld door onder anderen Marcel Brouwers) een groot succes. Dit was een hele happening en kon toen best wel model staan voor een meer moderne aanpak van ontgroening .

Een tweede hoogtepunt van het wintersemester 1958/1959 was de viering van de eerste dies op 28 februari 1959. Voor de heren in rokkostuum en voor de dames in avondkleding. Het feest vond plaats in Sittard. Tijdens het feest werd het vaandel ingewijd en vond de inauguratie van de moderator plaats.

Professor Debye als beschermheer

Begin april 1959 ging een officiële uitnodiging van het bestuur uit naar prof. Debye waarin hem een beschermheerschap van Alcuinus werd aangeboden en hem verzocht werd dit te willen aanvaarden. Per brief, die gedateerd was 15 mei 1959, ontving het bestuur de schriftelijke bevestiging dat hij de benoeming graag zou aanvaarden. Hier werd de hoogmoed van Hollandia uit het verre verleden genadeloos afgestraft. Prof. Debye was niet vergeten dat hij in de tijd dat hij student aan de RWTH was geweest, geweigerd werd als lid van Hollandia vanwege zijn (te geringe) afkomst. Hij was maar ‘spoorstudent’. Dit feit en de uiteindelijke erkenning van zijn wetenschappelijke verdiensten door zijn eigen Alma Mater de RWTH in Aken, zijn geboortestad Maastricht en de provincie Limburg zijn naar alle waarschijnlijkheid de diepere beweegredenen geweest voor prof. Debye ook het beschermheerschap over Alcuinus te aanvaarden.

Via André wisten wij mondeling al vrij snel dat de brief van het bestuur bij prof. Debye in goede aarde was gevallen en dat hij het beschermheerschap definitief zou aanvaarden. Deze wetenschap was voor ons van belang voor onze eigen strategie. Inmiddels was ook Ben Quanjel in het complot betrokken, en dit was echt een kolfje naar zijn hand. Achteraf kun je er met een glimlach op terugkijken, maar destijds was het een bloedserieus gevecht waarbij de direct betrokkenen van Alcuinus-zijde vaker dan eens verzuchtten: ‘Het lijkt wel alsof Alcuinus belangrijker is dan onze studie.’

Zoals reeds eerder gezegd, was André zaakwaarnemer van prof. Debye in Europa. André was zodoende precies op de hoogte van wat er tijdens het bezoek van Debye aan Aken voor hem zou worden georganiseerd. André wist dus dat de rwth, uiteraard onder zware geheimhouding, Hollandia had geïnformeerd over het eredoctoraat van prof. Debye en de vereniging gevraagd had mee te werken aan een feestprogramma. Ofschoon Alcuinus al erkend was door de Senaat en de rector magnificus, werd Alcuinus niet benaderd. De Alte Herren van Hollandia, van wie enkelen inmiddels geziene burgers waren in Limburg en Maastricht, zagen hierin een voortreffelijke kans Maastrichtenaar Debye eindelijk de hommage te geven waar hij al tientallen jaren recht op had.

Naast de festiviteiten van de rwth en de gemeente Aken ontwikkelde Hollandia, tezamen met de gemeente Maastricht, de Fabrikantenkring Maastricht, de kamer van Koophandel van Zuid­ Limburg en de provincie Limburg een daverend programma. Wat Hollandia niet wist, was dat het bestuur van Alcuinus exact op de hoogte was van deze activiteiten en de daarbij betrokken organisatoren. En natuurlijk wist Hollandia niet dat prof. Debye beschermheer van Alcuinus zou worden.

Uiteraard wilde Alcuinus deze wetenschap en het aanvaarden van het beschermheerschap door prof. Debye ook publicitair zo veel mogelijk uitbuiten om zo haar positie als studentenvereniging definitief te bevestigen. De strategie was even simpel als doeltreffend. Op de dag dat de rwth naar buiten zou komen met het persbericht over het eredoctoraat, zou Alcuinus met een eigen persbericht komen over de aanvaarding van het beschermheerschap van Alcuinus door prof. Debye. Vervolgens zouden alle betrokken organisatoren van de feestelijkheden worden bezocht en worden gewezen op het beschermheerschap van prof. Debye van Alcuinus met de boodschap dat zij het als organisatoren niet konden maken wel Hollandia maar niet Alcuinus uit te nodigen bij hun feestonderdeel. Zo gezegd, zo gedaan.

Uiteindelijk was het bestuur best tevreden met het resultaat van deze acties. Alcuinus had ook nog haar eigen feestje met prof. Debye op een later tijdstip. Debye arriveerde in de namiddag van 28 juni 1959 op de helihaven van Maastricht en werd daar afgehaald door Ben Quanjel. Hij logeerde bij zijn zus, mevrouw Niël-Debye, in de Rechtstraat in Maastricht-Wyck. Behalve zijn familie wachtte hem daar tevens het bestuur van Alcuinus op met een grote taart.

De erepromotie van prof. P.J.W. Debye aan de rwth vond plaats op 29 juni 1959 in de aula van de RWTH op de Templergraben. Tijdens dit drankgelag hebben enkele Zuid-Limburgse industriëlen getracht Alcuinus en Hollandia met elkaar te verzoenen en aangeboden een ‘bemiddelingslunch’ te organiseren. Alcuinus was daartoe bereid. Hollandia heeft het echter laten afweten.

Installatie van beschermheer

De grote dag voor Alcuinus kwam op 1 juli 1959, toen prof. dr. P.J.W. Debye werd geïnstalleerd tot beschermheer van Alcuinus. De nog niet geïnaugureerde en geïnstalleerde erevoorzitter stelde zelf zijn huis ter beschikking. Ook heeft hij ervoor gezorgd dat Alcuinus geen kosten hoefde te betalen.

Vader Eugène Quanjel maakte een schitterend versierde oorkonde met gekalligrafeerde tekst over de benoeming van prof. Debye tot beschermheer. Door het bestuur werd besloten een dienblad met zes grote borrelglaasjes aan te bieden. Lou Vermin zou ervoor zorgen dat deze glaasjes gemaakt zouden worden bij glasfabriek Mohren in Aken.

Inauguraties

Op de dag van de inauguratie van prof. Debye vonden er voor zijn aankomst ten huize van de nog te installeren erevoorzitter ir. Cornelis Raedts om 14.00 uur nog enkele ‘achterstallige’ inauguraties plaats.

Daarna arriveerde prof. Debye, uiteraard met zijn privéchauffeur Ben. Na de officiële opening door de voorzitter brak het grote ogenblik aan van de installatie van prof. Debye tot beschermheer. De voorzitter hield een rede waarin hij het hoe en waarom van deze benoeming belichtte. Vervolgens tooide hij prof. Debye met het ereteken, een geëmailleerde medaille met het woord Beschermheer erop. Ook werd hem de schitterende oorkonde overhandigd. Hierna werd hem het dienblaadje met zes glaasje aangeboden, wat prof. Debye erg kon waarderen. Na deze ceremoniële gebeurtenissen hield de kersverse beschermheer een toespraak, waarin hij als voornaamste reden over zijn motivatie om het beschermheerschap te aanvaarden onder andere zei: ‘Ik houd gaarne contact met de jeugd… en ik hoop dat het aanvaarden van het beschermheerschap van de kav Alcuinus voor de leden van Alcuinus een stimulans zal betekenen in hun verdere ontwikkeling.’ Na felicitatie van de eerste beschermheer door de aanwezigen werd in een ceremonie overgegaan tot de inauguratie van prof. Debye en ir. Raedts tot lid van de vereniging.

Hierna volgde een druk bezochte receptie met een hapje en een drankje. Pianist Math Niël, vader van Gied, verzorgde de muzikale omlijsting. Tegen het einde van deze feestelijke bijeenkomst had de erevoorzitter voor de aanwezigen nog een verrassing:dd het harmonieorkest van de Oranje-Nassaumijnen bracht een serenade aan onze beroemde beschermheer.

De naam

Het logo van Alcuinus werd in 1958 ontworpen door de vader van Ben Quanjel: Eugène Quanjel.

Het moet het (nagestreefde) karakter van de vereniging weerspiegelen. De K.A.V. Alcuinus zal als Nederlandse Vereniging alleen stroomopwaarts (hogerop) kunnen komen (gesymboliseerd door de klimmende leew over opgaande golvende lijnen), door moed (oorspronkelijk een schild met leeuw), beleid (schild met duif) en trouw van haar leden (schild met hond), alsmede door bundeling van krachten en gezamenlijke initiatieven (bundel pijlen in de klauw van de klimmende leeuw). Het oorspronkelijk schild met de leeuw is inmiddels vervangen door een K.A.V.-acroniem. Het zwaard en de Rijksadelaar zijn eveneens pas later toegevoegd.

Studeren in Aken

De Oudherenbond

Externe Links