K.A.V. Alcuinus: verschil tussen versies

Uit K.A.V. Alcuinus
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Regel 9: Regel 9:


==Geschiedenis==
==Geschiedenis==
Tot medio 1957 was de Akademische Vereeniging (A.V.) Hollandia de enige vereniging van Nederlandse studenten aan de rwth Aachen. Deze in 1885 opgerichte vereniging was op Duitse leest geschoeid, wat onder meer tot gevolg had dat het ledental tot circa 50 leden werd beperkt. Wanneer een Duitse studentenvereniging te groot dreigde te worden, werd er een zustervereniging afgesplitst (Unitas-Verbindung). Ofschoon er medio jaren vijftig ongeveer 250 Nederlandse studenten aan de rwth studeerden, was Hollandia niet van plan een zustervereniging op te richten. Omdat het als buitenlander praktisch onmogelijk was lid te worden van een Duitse vereniging, stonden dus ongeveer 200 Nederlandse studenten aan de rwth Aachen in de kou.
Dat het in 1957 tot de oprichting van een tweede vereniging kwam, lag in de lijn der verwachtingen. De monopoliestrategie van Hollandia, dat zo graag de stelregel huldigde van ‘slechts één gezicht van de Nederlandse studenten aan de rwth’ (oftewel Hollandia), had dit zelf uitgelokt.
De initiatiefnemer voor de oprichting van een tweede studentenvereniging was Gied Niël, een derdejaarsstudent chemie afkomstig uit Maastricht. Einde 1956 benaderde hij M.L.M. (Lou) Vermin, die hij nog kende van de middelbare school in Maastricht. Vermin was in het Sommersemester van 1956 aan de studie chemie begonnen. Na enige discussies werd tegen het einde van het zomersemester 1957 ten huize van de familie Math. Niël in de Bredestraat te Maastricht met de voorbereidingen voor de oprichting van een tweede studentenvereniging begonnen. Vanaf dat ogenblik werd Marcel Brouwers, een derde Maastrichtenaar en nog nuldejaarsstudent chemie, bij de plannen betrokken.
Uitgangspunten en strategie van de nieuwe vereniging
Uiteraard moest de nieuwe vereniging zich duidelijk onderscheiden van de A.V. Hollandia. Uitgangspunten en strategie moesten worden bedacht en vastgelegd. Er waren twee belangrijke invalshoeken. In 1957 stonden de studentenwereld en het studentenleven tamelijk ver weg van het maatschappelijk leven. Verder was de invloed van de Alte Herren (of Philister, reünisten) bij de Duitse studentenverenigingen zo groot dat zij het bij de Activitas voor het zeggen hadden. Dit gold in die dagen ook voor A.V. Hollandia. Beide aspecten zouden anders moeten worden aangepakt. Na een tweetal bijeenkomsten werd er voor de navolgende uitgangspunten gekozen:
De vereniging zou zich richten op de maatschappelijke en sociaal-culturele vorming van haar leden.
De vereniging zou op rooms-katholieke grondslag worden gebaseerd.
De vereniging zou op Nederlandse leest geschoeid worden; dat betekende Nederlandse studentenmores en geen numerus clausus voor het aantal leden.
Vestigingsplaats in Nederland zou, bij voorkeur, Vaals worden.
Nieuwelingen zouden in ‘lichte mate’ worden ontgroend en aan het einde van hun eerste semester al als lid worden geïnstalleerd.
Leden zouden bij officiële gelegenheden een pet, lint en Zipfel (corpslint) dragen, zoals gebruikelijke bij Duitse verenigingen.
Te zijner tijd zou, zoals gebruikelijk bij de Duitse studentenverenigingen, een Altherrenschaft of Philisterium worden opgericht. Echter los van de Activitas en met een Nederlands karakter.
Deze zaken zouden in statuten en/of huishoudelijk reglement worden vastgelegd. Uiteraard moest er een naam voor de vereniging worden bedacht. En er moest een moderator worden gevonden.
Voor het begin van het wintersemester 1957 waren de initiatiefnemers gereed met de voorbereidende werkzaamheden en kon de oprichtingsvergadering worden uitgeschreven. Een groot aantal Nederlandse studenten aan de rwth werd uitgenodigd (zowel schriftelijk als mondeling) voor het bijwonen van de oprichtingsvergadering. Die vond plaats op 11 november 1957 in een zaaltje van hotel-restaurant Vaassen aan de Tentstraat in Vaals.
De oprichtingsvergadering werd bijgewoond door slechts een tiental belangstellenden, die nota bene allemaal chemie studeerden. Dit had dus meer weg van een faculteitsvereniging Chemie dan van een breed gedragen studentenvereniging. Dit weerspiegelde zich uiteraard ook in de samenstelling van het bestuur in de eerstvolgende semesters. Hollandia sprak dan ook met grote minachting over een ‘Chemikerklub’.
Ondanks deze eenzijdige opkomst werd tijdens die vergadering besloten toch over te gaan tot de oprichting van een nieuwe Nederlandse studentenvereniging aan de rwth in Aken. Er werd een bestuur gekozen: Jacques Prevoo (praeses), Lou Vermin (abactis) en Ger Schmets (quaestor). Zij kregen de opdracht statuten en een huishoudelijk reglement te ontwerpen, een geschikte naam te vinden, een moderator te zoeken, een verenigingsblad te ontwikkelen, ervoor te zorgen dat de vereniging door de Senaat van de rwth Aachen officieel zou worden erkend als een studentenvereniging van de rwth Aachen, het verwerven van het lidmaatschap van de Allgemeiner Studierenderausschuss  (asta) en aansluiting bij de Katholische Studentengemeinschaft (ksg) te bewerkstelligen. Tevens werd de aanwezigen dringend verzocht meer leden te werven, vooral uit de niet-chemische studierichtingen. Dat was allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan, want de leden ondervonden op diverse fronten stevige weerstand van de A.V. Hollandia, die haar monopoliepositie bij de Nederlandse studenten ernstig in gevaar zag gebracht.
Wat wij dachten dat het moeilijkste was – het vinden van een moderator en een geschikte naam –, werd het snelst opgelost. Onze voorzitter, Jacques Prevoo, zelf afkomstig uit Margraten, kwam met het lumineuze idee de overste van het klooster van de redemptoristen, het grootseminarie van deze orde in het Limburgse Wittem, te benaderen. Wij schreven hem een keurige brief, en halleluja… de overste adviseerde ons om daarover eens met prof. dr. H. Dekkers (c.ss.r.) te praten. In hun beste pak zijn Jacques en Lou naar Wittem getogen voor een gesprek met pater Dekkers, een jonge, enthousiaste priester met een charisma dat volgens hen uitstekend aansloot bij de nieuwe vereniging. Ondanks twijfel zijnerzijds over de haalbaarheid van de plannen aanvaardde Dekkers het moderatorschap van de nieuwe vereniging. Al tijdens dat eerste gesprek kwam hij met een naam voor de nieuwe vereniging op de proppen: Alcuinus. Voor ons was dat toen nog een onbekende naam, maar wie wat meer te weten kwam over Alcuinus van York, zal zich kunnen voorstellen dat het bestuur van de vereniging in oprichting zeer enthousiast was over dit voorstel.
Wie was nu Alcuinus?
Alcuinus was een Angelsaksische benedictijner monnik die ca. 735 werd geboren in York. Hij kreeg een opleiding aan de plaatselijke kloosterschool, waaraan hij later zelf leiding zou geven. Hij was ook stichter en abt van de kloosterschool Sint-Martinus in het Franse Tours. In 781 bezocht hij Rome, waar hij een ontmoeting had met Karel de Grote, met wie hij bevriend raakte en wiens raadsman hij werd. In 782 benoemde Karel de Grote Alcuinus tot hoofd van de ‘Academia palatina’, Karels beroemde hofschool in Aken. Hij werd de organisator van het schoolwezen onder Karel de Grote. Tevens was Alcuinus de grote stuwkracht achter de Karolingische renaissance. Hij was een groot en veelzijdig geleerde, letterkundige en wijsgeer. Hij schreef talloze boeken en verhandelingen. Hij overleed op 19 mei 804 in Tours.
Op weg naar officiële erkenning
De procedure voor officiële erkenning als studentenvereniging door de Senaat en de rector magnificus van de rwth in Aken verliep probleemloos. In februari 1958 werd Alcuinus officieel erkend door de rwth. De verwerving van het lidmaatschap van de asta had heel wat voeten in de aarde. Om daar als vereniging lid van te kunnen worden, moest je met algemene stemmen worden aangenomen. En daar kruiste Hollandia voor de eerste maal ons pad. Uiteraard waren zij van oudsher lid van de asta. Zij zelf hebben nooit tegengestemd. Maar bij de stemmingen voor toelating van Alcuinus waren er altijd wel een of twee tegenstemmers. Als vertegenwoordiger van Alcuinus heeft Marcel Brouwers bij de asta menig maal op de bres gestaan. Het eerste bestuur heeft deze hobbel niet kunnen nemen. Ten slotte is de preses van het bestuur van het zomersemester 1958 (Ben Quanjel) naar de rector magnificus gestapt en werd de zaak geregeld.
Aanmelding en erkenning door de ksg (Katholische Studentengemeinschaft) verliepen aanvankelijk probleemloos. Door toedoen van Hollandia hebben zich echter in het zomersemester 1959 ook hier nog moeilijkheden voorgedaan.
Het eerste bestuur benoemde ook een statutencommissie, maar van het opstellen van statuten kwam in het eerste semester van het bestaan van Alcuinus niet veel terecht. Deze klus werd geklaard door het bestuur van het zomersemester 1958.
Uiteraard werd er ook aandacht besteed aan de opzet en vormgeving van een jaarlijks (dies-)feest. Het eerste officiële diesfeest vond pas plaats op 28 februari 1959 in de stadsschouwburg van Sittard. Als ‘vingeroefening’ vooraf werd er aan het einde van het wintersemester 1957/1958 in hotel-restaurant Vaassen een feestje in gewoon ornaat met dames gebouwd.
Met dit feestje eindigde het eerste semester in het bestaan van Alcuinus. Aangezien er eerder besloten was dat er elk semester een nieuw bestuur zou aantreden (vanwege het beperkt aantal laboratoriumplaatsen en de gestelde eisen op het laboratorium aan chemiestudenten in een studiejaar) werd voor het zomersemester 1958 een nieuw bestuur gekozen dat bestond uit Ben Quanjel (preses), Joep Thoma (abactis) en wederom Ger Schmets (quaestor) Gezien het aantal bestuursleden van drie had Alcuinus toen kennelijk nog geen dertig leden (zie artikel 19 van de eerste statuten l ).
Spijkers met koppen slaan
Onder de bezielende leiding van Ben Quanjel, die in militaire dienst straaljagerpiloot was geweest, is er in het tweede semester van het bestaan van Alcuinus bijzonder veel tot stand gebracht. Zoals al eerder vermeld, werd Alcuinus dit semester lid van de asta. Met bekwame spoed werden de statuten aangepakt. Ben Quanjel had zich daarvoor voorzien van professionele adviseurs (mr. G. Nederveen en notaris P. Brouwers, beiden werkzaam in Heerlen) die belangeloos hun medewerking verleenden. Na veertien concepten kwamen de ontwerpstatuten aan het einde van dat semester gereed en werden in de ledenvergadering van 6 oktober 1958 goedgekeurd. Daarna werden deze voorgelegd aan het ministerie van Justitie voor koninklijke goedkeuring. Die werd verleend op 13 juli 1959.
Bij het bepalen van de datum van de lustrumfeesten wordt door de Activitas deze datum aangehouden als de oprichtingsdatum van Alcuinus. Tijdens dit semester ontwierp de vader van preses Ben Quanjel een vaandel en een bul. De heer J. Krumm uit Heerlen, vader van Gertie en Margriet, liet het ontwerp van Quanjel senior realiseren en schonk het vaandel aan Alcuinus. De onthulling vond plaats op 17 juli 1958. Tijdens deze bijeenkomst werd dr. Dekkers als moderator geïnstalleerd.
Op die dag werd tevens voor de eerste maal een bul bij Alcuinus uitgereikt. De bul van de leden van het eerste uur dragen zodoende allemaal de datum van 17 juli 1958.
Erevoorzitter, financieel adviseur en lijfblad
Tijdens zijn voorzitterschap ging Ben Quanjel eveneens op zoek naar een erevoorzitter voor Alcuinus. Die werd ten slotte (wintersemester 1958) gevonden in de persoon van ir. Cornelis Raedts, directeur van de Oranje-Nassaumijnen te Heerlen.
Ben Quanjel wist ook de zeer kleurrijke secretaris van de hoofddirectie van De Staatsmijnen, drs. Eus Akkermans, aan te trekken als financieel adviseur van de vereniging. Behalve financieel deskundig was deze ook een flamboyante organist, zoals bleek tijdens de hoogmis bij het eerste diesfeest in februari 1959.
In het zomersemester 1958 is er een redactieraad gevormd voor het latere lijfblad van Alcuinus met de ‘inspirerende en wervende’ naam Orgaan K.A.V. Alcuinus, met als ondertitel Corps Ned. Studenten Aken. De eerste hoofdredacteur werd Carel Daelman. Als redacteur traden aan John Stouthart en Ger Schmets. Samenstelling en lay-out werden door Ben Quanjel zelf ter hand genomen. Pfarrer Holzmann werd beschermheer van het blad. Nog in hetzelfde semester werd een proefnummer uitgebracht. Het eerste officiële nummer verscheen in december 1958. Niet alleen de rector magnificus Herwart Opitz van de rwth, maar ook Cornelis Raedts, moderator H. Dekkers en Pfarrer Holzmann (ksg) leverden kopij voor dit nummer.
Jezuïetenstreek – bijna kerkelijk verboden
Tijdens het zomersemester 1958 werd Alcuinus nog geconfronteerd met een merkwaardige nabrander van het lidmaatschap van de ksg. In die tijd verslechterde plotseling de relatie van Alcuinus met Pfarrer Holzmann. Alcuinus wist niet waaraan dit lag maar besteedde daar ook niet veel aandacht aan. Totdat via een totaal onverwachte route Lou Vermin hiermee werd geconfronteerd door pastoor Vliegen van Bleijerheide die huisvriend was van de familie Vermin. Omstreeks Pinksteren van dat jaar bracht pastoor Vliegen een bezoek aan de familie Vermin. Pastoor Vliegen is waarschijnlijk lid geweest van het kathedrale kapittel van het bisdom Roermond. Tijdens zijn bezoek kwam een ‘Hollandia-aap’ uit zijn mouw. Hij liet zich uitgebreid informeren naar wat er gaande was tussen de Nederlandse studenten onderling aan de rwth in Aken. Hij had bij het bisdom Roermond geruchten vernomen dat er in Aken een rooms-katholieke Nederlandse studentenvereniging actief was die gevestigd was in Vaals. De gemeente Vaals valt onder de kerkelijke jurisdictie van het bisdom Roermond. Deze vereniging zou geen kerkelijke goedkeuring hebben aangevraagd bij het bisdom Roermond en zich dus niet rooms-katholiek mogen noemen. Bovendien had deze vereniging als moderator een kloosterling (kloosterlingen vallen niet onder de jurisdictie van het bisdom Roermond en konden alleen na toestemming van Roermond een seculiere taak in het bisdom vervullen). Dat was dus foute boel, volgens het bisdom Roermond. Zeker in die tijd. Pastoor Vliegen adviseerde Alcuinus om maar eens snel contact op te nemen met de vicaris-generaal van het bisdom Roermond, Mgr. P. Odijk. Later is uitgekomen dat Hollandia met deze ‘weeffout’ van Alcuinus naar de ksg (oftewel Pfarrer Holzmann) is gestapt en bewust heeft getracht Alcuinus bij de geestelijke in diskrediet te brengen om zo de oprichting van Alcuinus te voorkomen. Pfarrer Holzmann was zeer ontdaan over dit ‘bedrog’ van Alcuinus en nam contact op met het bisdom Roermond, waar een en ander wel bevestigd zal zijn. Wat Pfarrer Holzmann in Roermond op instigatie van Hollandia nog meer over Alcuinus heeft verteld, is niet bekend. Bijna was Hollandia er dus in geslaagd ons kerkelijk te doen verbieden!
Op bezoek bij het bisdom
Enkele leden van Alcuinus, onder wie Ben Quanjel en Lou Vermin, zijn toen haast ontploft. Een afspraak met de vicaris-generaal was snel gemaakt. Vervolgens heeft Ben tezamen met Lou een ultimatum aan Pfarrer Holzmann gesteld. Pfarrer Holzmann werd voor de keuze gesteld: verbreking van de relatie tussen Alcuinus en ksg of binnen 24 uur tezamen met de Ben Quanjel en Lou Vermin een bezoek afleggen bij de vicaris-generaal van het bisdom Roermond. (Alcuinus had al een afspraak voor dat bezoek op zak.) Na een lang gesprek gaf Pfarrer Holzmann er de voorkeur aan mee te gaan naar Roermond. Tijdens de autorit van Aken naar Roermond hebben Ben en Lou Pfarrer Holzmann er definitief van kunnen overtuigen dat Alcuinus absoluut niets onoorbaars in haar schild voerde. Pfarrer Holzmann was na deze gesprekken dermate overtuigd van onze oprechte bedoelingen dat hij bij het begin van de audiëntie bij de vicaris-generaal Mgr. Odijk knielend zijn excuses aanbood over de onjuiste informatie die hij aan het bisdom Roermond over Alcuinus zou hebben verstrekt. Deze daad maakte diepe indruk op de aanwezigen. Dat was op Sacramentsdag 1958. Het bisdom verleende later de benodigde goedkeuringen, waaronder ook deze voor het moderatorschap van prof. dr. H. Dekkers c.ss.r.
Zo liep dus de taak van het bestuur van het zomersemester 1958 teneinde. Als nieuw, vijfkoppig bestuur traden aan Huub van de Venne (praeses), Bob Kerckhoffs (abactis), Jef Limpens (quaestor), Jacques Prevoo (vicepreses) en Paul Kerckhoffs (viceabactis). Naar de maatstaven van onze eigen statuten waren we dus gegroeid naar een ledenaantal van meer dan dertig. Naar Duitse maatstaven was Alcuinus een volwassen studentenvereniging geworden.
Consolidatie onder aanvoering van Ben Quanjel
Ook al had hij zijn bestuursfunctie moeten neerleggen, één man was en bleef, weliswaar achter de schermen, zich zeer actief voor Alcuinus inzetten. Dat was Ben Quanjel.
Gedurende het wintersemester 1958/1959 werd de vereniging verder geconsolideerd. Zo was de introductie van de meerdaagse ontgroening in november 1959 op kasteel Revieren in Voerendaal (met diverse tonnen bier, bij elkaar gescharreld door onder anderen Marcel Brouwers) een groot succes. Dit was een hele happening en kon toen best wel model staan voor een meer moderne aanpak van ontgroening .
Een tweede hoogtepunt van het wintersemester 1958/1959 was de viering van de eerste dies op 28 februari 1959. Voor de heren in rokkostuum en voor de dames in avondkleding. Het feest vond plaats in Sittard. Begonnen werd met een feestelijke hoogmis om 12.00 uur in de kapel van de zusters ursulinen. Tijdens de mis werd het vaandel ingewijd. Na de mis vond in de foyer van de nieuwe schouwburg een feestelijke vergadering plaats waarin onder andere de inauguratie plaatsvond van de moderator en werd drs. Eus Akkermans geïnstalleerd als erelid. Laatstgenoemde gaf na zijn installatie een daverende speech. Ben Quanjel sprak de diesrede uit. Gedineerd werd in de Rotisserie ‘Si-tard’ van de schouwburg, en ’s avonds was er bal. Een zeer geslaagd festijn dat zeker voor herhaling vatbaar was.
Enerverende semesters
Het nieuwe bestuur dat aantrad voor het zomersemester 1959, bestond uit Lou Vermin (preses), Joep Tetteroo (abactis), Fer van Zandvoort (quaestor), John Claessens (vicepreses) en Math Schiffers (viceabactis). Het zomersemester 1959 blijkt achteraf een van de enerverendste semesters te zijn geworden van de oprichtingsperiode van Alcuinus en van groot belang voor de definitieve consolidatie van de vereniging. De voortekenen daarvan dienden zich al in het wintersemester 1958 aan. Toen meldde zich een zekere André M.E. Siemens, kandidaat in de chemie, aan als lid. André was geboren en opgegroeid in Nederland. Zijn vader bezat echter de Duitse nationaliteit.
André was getrouwd met Yvonne Niël. Zij was een achternicht van Gied Niël, de initiatiefnemer voor de oprichting van Alcuinus. Maar Yvonne was ook nog eens nicht (oomzegger) van prof. dr. Peter J.W. Debye, met wie zij regelmatig correspondeerde. André was zaakwaarnemer van professor Debye in Europa. Debye was een zeer gezien man in de technisch-wetenschappelijke wereld. Hij was Maastrichtenaar van geboorte en had als spoorstudent gependeld tussen Maastricht en Aken tot hij in het begin van de twintigste eeuw aan de rwth Aachen was afgestudeerd. In 1936 ontving hij de Nobelprijs voor chemie ‘voor zijn bijdragen aan de studie van de structuur van moleculen’. Prof. Debye woonde sedert 1939 in de Verenigde Staten.
Interessante kandidaat als beschermheer
Begin december 1958 kwam Gied Niël bij Lou Vermin eens polsen of Alcuinus niet op zoek zou moeten gaan naar een goede beschermheer. Hij liet toen tevens de naam vallen van prof. Debye en verwees daarbij naar de relatie die er bestond tussen prof. Debye en André. En dus indirect ook met hemzelf. Hij wist toen al waarschijnlijk wat Lou pas in januari 1959 te horen kreeg, namelijk dat aan prof. Debye (eindelijk!) een eredoctoraat zou worden verleend van de rwth te Aken en dat dit in mei/juni van dat jaar tijdens een feestelijke bijeenkomst zijn beslag zou krijgen. Op deze wetenschap rustte een embargo tot 1 mei 1959.
Uiteraard sloeg het idee van een beschermheerschap van prof. Debye van Alcuinus bij de direct betrokkenen geweldig aan. Met André werd afgesproken dat hij ‘oom Peter’ schriftelijk zou polsen of hij geïnteresseerd en bereid zou zijn een beschermheerschap van Alcuinus te aanvaarden. Daarop kwam na enige tijd een bevestigend antwoord, met als enige voorwaarde dat hij wel officieel gevraagd wilde worden. Het was inmiddels al einde maart.
Begin april 1959 ging een officiële uitnodiging van het bestuur uit naar prof. Debye waarin hem het beschermheerschap werd aangeboden en hem verzocht werd dit te willen aanvaarden. Per brief, die gedateerd was 15 mei 1959, ontving het bestuur de schriftelijke bevestiging dat hij de benoeming graag zou aanvaarden. Hier werd de hoogmoed van Hollandia uit het verre verleden genadeloos afgestraft. Prof. Debye was niet vergeten dat hij in de tijd dat hij student aan de rwth (omstreeks 1900) was geweest, geweigerd werd als lid van Hollandia vanwege zijn (te geringe) afkomst. Hij was maar ‘spoorstudent’. Dit feit en de uiteindelijke erkenning van zijn wetenschappelijke verdiensten door zijn eigen Alma Mater de rwth in Aken, zijn geboortestad Maastricht en de provincie Limburg zijn naar alle waarschijnlijkheid de diepere beweegredenen geweest voor prof. Debye ook het beschermheerschap over Alcuinus te aanvaarden.
Via André wisten wij mondeling al vrij snel dat de brief van het bestuur bij prof. Debye in goede aarde was gevallen en dat hij het beschermheerschap definitief zou aanvaarden. Deze wetenschap was voor ons van belang voor onze eigen strategie. Inmiddels was ook Ben Quanjel in het complot betrokken, en dit was echt een kolfje naar zijn hand. Achteraf kun je er met een glimlach op terugkijken, maar destijds was het een bloedserieus gevecht waarbij de direct betrokkenen van Alcuinus-zijde vaker dan eens verzuchtten: ‘Het lijkt wel alsof Alcuinus belangrijker is dan onze studie.’
Zoals reeds eerder gezegd, was André zaakwaarnemer van prof. Debye in Europa. André was zodoende precies op de hoogte van wat er tijdens het bezoek van Debye aan Aken voor hem zou worden georganiseerd. André wist dus dat de rwth, uiteraard onder zware geheimhouding, Hollandia had geïnformeerd over het eredoctoraat van prof. Debye en de vereniging gevraagd had mee te werken aan een feestprogramma. Ofschoon Alcuinus al erkend was door de Senaat en de rector magnificus, werd Alcuinus niet benaderd. De Alte Herren van Hollandia, van wie enkelen inmiddels geziene burgers waren in Limburg en Maastricht, zagen hierin een voortreffelijke kans Maastrichtenaar Debye eindelijk de hommage te geven waar hij al tientallen jaren recht op had.
Naast de festiviteiten van de rwth en de gemeente Aken ontwikkelde Hollandia, tezamen met de gemeente Maastricht, de Fabrikantenkring Maastricht, de kamer van Koophandel van Zuid­ Limburg en de provincie Limburg een daverend programma. Wat Hollandia niet wist, was dat het bestuur van Alcuinus exact op de hoogte was van deze activiteiten en de daarbij betrokken organisatoren. En natuurlijk wist Hollandia niet dat prof. Debye beschermheer van Alcuinus zou worden.
Uiteraard wilde Alcuinus deze wetenschap en het aanvaarden van het beschermheerschap door prof. Debye ook publicitair zo veel mogelijk uitbuiten om zo haar positie als studentenvereniging definitief te bevestigen. De strategie was even simpel als doeltreffend. Op de dag dat de rwth naar buiten zou komen met het persbericht over het eredoctoraat, zou Alcuinus met een eigen persbericht komen over de aanvaarding van het beschermheerschap van Alcuinus door prof. Debye. Vervolgens zouden alle betrokken organisatoren van de feestelijkheden worden bezocht en worden gewezen op het beschermheerschap van prof. Debye van Alcuinus met de boodschap dat zij het als organisatoren niet konden maken wel Hollandia maar niet Alcuinus uit te nodigen bij hun feestonderdeel. Ben Quanjel zou tijdens het verblijf van prof. Debye als diens privéchauffeur fungeren. Daardoor kon Ben vanuit een onverdachte hoek goed zicht houden op eventuele gebeurtenissen rondom prof. Debye die Alcuinus zouden kunnen schaden.
Het hoge bezoek
Het persbericht van de rwth op 1 mei 1959 over het eredoctoraat kwam voor velen als een aangename verrassing. Eindelijk dan. Het persbericht over het beschermheerschap sloeg bij velen in als een bom. Behalve de voorzitter van de Maastrichter fabrikantenkring (Peter Meyer Viol-Warburg) hadden de andere organisatoren volledig begrip voor de gerezen situatie en nodigden die het bestuur van Alcuinus officieel uit voor het programmaonderdeel waar zij verantwoordelijk voor waren. Peter Meyer Viol-Warburg, directievoorzitter van de knp (Koninklijke Nederlandse Papierfabriek) te Maastricht, deed dat daarentegen niet. Deze reactie hadden wij kunnen verwachten. Immers een zwager van hem, Dipl. ing. F. Lhoest (hij behoorde tot de familie Lhoest die grootaandeelhouders waren van de knp) was een Alter Herr van Hollandia.
Uiteindelijk was het bestuur best tevreden met het resultaat van deze acties. Alcuinus had immers nog haar eigen feestje met prof. Debye op een later tijdstip. Debye arriveerde in de namiddag van 28 juni 1959 op de helihaven van Maastricht en werd daar afgehaald door Ben Quanjel. Hij logeerde bij zijn zus, mevrouw Niël-Debye, in de Rechtstraat in Maastricht-Wyck. Behalve zijn familie wachtte hem daar tevens het bestuur van Alcuinus op met een grote taart.
De erepromotie van prof. P.J.W. Debye aan de rwth vond plaats op 29 juni 1959 in de aula van de rwth op de Templergraben.
Tijdens dit drankgelag hebben enkele Zuid-Limburgse industriëlen getracht Alcuinus en Hollandia met elkaar te verzoenen en aangeboden een ‘bemiddelingslunch’ te organiseren. Alcuinus was daartoe bereid. Hollandia heeft het echter laten afweten. Naar alle waarschijnlijkheid was hun moreel na het echec bij het bisdom Roermond en de gang van zaken rondom de prominente aanwezigheid van Alcuinus tijdens de festiviteiten ter ere van prof. Debye dermate aangetast dat zij eerst hun wonden zijn gaan likken.
Na deze gebeurtenissen brak er bij de beide strijdende partijen een periode van berusting en aanvaarding van de status quo aan.
Installatie van beschermheer
De grote dag voor Alcuinus kwam op 1 juli 1959, toen prof. dr. P.J.W. Debye werd geïnstalleerd tot beschermheer van Alcuinus. Er moest een hoop worden geregeld. Uiteraard nam Ben Quanjel weer het meeste voor zijn rekening. De eerste vraag was wie voor de kosten zou opdraaien. De nog niet geïnaugureerde en geïnstalleerde erevoorzitter stelde zelf zijn huis ter beschikking. Ook heeft hij ervoor gezorgd dat Alcuinus geen kosten hoefde te betalen.
Ook moest er een cadeau en een mooie oorkonde komen. Daarvoor was men bij de familie Quanjel aan het goede adres. Vader Eugène Quanjel (en Els Kerckhoffs?) maakte een schitterend versierde oorkonde met gekalligrafeerde tekst over de benoeming van prof. Debye tot beschermheer. Door het bestuur werd besloten een dienblad met zes grote borrelglaasjes aan te bieden. Deze borrelglazen waren aan één kant voorzien van een met verf ingebrande (emaillen) wiskundige formule. Direct daaronder stonden de namen Clausius-Masotti-Debye. Deze formule speelde een centrale rol in de verlening van de Nobelprijs chemie in 1936. Daaronder stond vervolgens ‘K.A.V. Alcuinus’. Aan de andere zijde van deze glaasjes stonden op gelijke afstanden van beneden naar boven streepjes die aangaven hoe ver het glas mocht worden gevuld voor respectievelijk een lid, een Alter Herr of een erelid. Daarop volgde de maat voor een varken. En dan pas kwam de maat voor een beschermheer. Alleen de beschermheer kreeg als allerhoogste lid van de vereniging een vol glas. Lou Vermin zou ervoor zorgen dat deze glaasjes gemaakt zouden worden bij glasfabriek Mohren in Aken.
Inauguraties
Op de dag van de inauguratie van prof. Debye vonden er voor zijn aankomst ten huize van de nog te installeren erevoorzitter ir. Cornelis Raedts om 14.00 uur nog enkele ‘achterstallige’ inauguraties plaats.
Daarna arriveerde prof. Debye, uiteraard met zijn privéchauffeur Ben. Na de officiële opening door de voorzitter (en een gebed door de moderator) brak het grote ogenblik aan van de installatie van prof. Debye tot beschermheer. De voorzitter hield een rede waarin hij het hoe en waarom van deze benoeming belichtte. Vervolgens tooide hij prof. Debye met het ereteken, een geëmailleerde medaille met het woord beschermheer erop. Ook werd hem de schitterende oorkonde overhandigd. Hierna werd hem het dienblaadje met zes glaasje aangeboden, wat prof. Debye erg kon waarderen. Na deze ceremoniële gebeurtenissen hield de kersverse beschermheer een toespraak, waarin hij als voornaamste reden over zijn motivatie om het beschermheerschap te aanvaarden onder andere zei: ‘Ik houd gaarne contact met de jeugd… en ik hoop dat het aanvaarden van het beschermheerschap van de kav Alcuinus voor de leden van Alcuinus een stimulans zal betekenen in hun verdere ontwikkeling.’ Na felicitatie van de eerste beschermheer door de aanwezigen werd in een ceremonie overgegaan tot de inauguratie van prof. Debye en ir. Raedts tot lid van de vereniging. Dit veroorzaakte nog enige hilariteit bij de betrokkenen, want om het lint van de vereniging te kunnen omhangen, moesten de heren uit de jas.
Hierna volgde een druk bezochte receptie met een hapje en een drankje. Pianist Math Niël, vader van Gied, verzorgde de muzikale omlijsting. Tegen het einde van deze feestelijke bijeenkomst had de erevoorzitter voor de aanwezigen nog een verrassing: het harmonieorkest van de Oranje-Nassaumijnen bracht een serenade aan onze beroemde beschermheer.
Sportief
Vanwege de uitstekende sportfaciliteiten waarover de rwth beschikte, was sport van meet af aan een belangrijk bindend element in de vereniging. Te beginnen met voetbal, maar later ook volleybal, judo en een aantal andere sporten. Het eerste voetbaltoernooi voor buitenlandse studenten aan de rwth werd door Gied Niël opgezet en door hem en Ger Schmets georganiseerd. Gied wist een Alter Herr van Hollandia, dr. Mathieu Turk, over te halen om de eerste wisselbeker te schenken! In de jaren 1960–1965 was John Pennings hier de grote gangmaker. Wie over het sportleven binnen Alcuinus meer wil lezen, kan terugvallen op bet lustrumboek 1959–1994 van de K.A.V. Alcuinus.
�


==De naam==
==De naam==

Versie van 17 jan 2015 23:02

Het logo van K.A.V. Alcuinus

K.A.V. Alcuinus is kort voor Katholieke Academische Vereniging ‘Alcuinus’; vereniging van Nederlandse studenten en afgestudeerden van de Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule te Aken.

Alcuinus is dé Nederlandse studie- en studentenvereniging van de RWTH en FH Aachen. Als Nederlandse studentenvereniging zetten zij zich zich in voor de bevordering van de geestelijke, culturele en maatschappelijke belangen van de Nederlandse studenten aan de RWTH en FH Aken.

In 1957 stichtte een groep ontevreden studenten deze nieuwe vereniging in Aken. K.A.V. Alcuinus. Op 13 juli 1959 werd Alcuinus algemeen erkend door Koningin Juliana en startte de bevlogen geschiedenis der Alcuinezen. Het ontwikkelde zich tot een democratische vereniging, onderhield levendige internationale contacten, manifesteerde zich op sportevenementen en organiseerde vele, vaak ‘natte’ feesten voor zijn leden.

Ook tegenwoordig is Alcuinus nog dé studie- en studentenvereniging voor Nederlandse studenten in Aachen. Alcuinus organiseert iedere maand diverse activiteiten voor Nederlanders in Aken.

Buiten activeiten voor haar leden helpt Alcuinus ook studenten en scholieren die interesse hebben aan een studie in Aken. Zo worden er onder andere meeloopdagen, voorlichtingen en informatieavonden georganiseerd. Zo is ook het project Studeren in Aken het geesteskind van de leden van Alcuinus.

Geschiedenis

De naam

Het logo van de vereniging moet het (nagestreefde) karakter van de vereniging weerspiegelen. De K.A.V. Alcuinus zal als Nederlandse Vereniging alleen stroomopwaarts (hogerop) kunnen komen (gesymboliseerd door de klimmende leew over opgaande golvende lijnen), door moed (oorspronkelijk een schild met leeuw), beleid (schild met duif) en trouw van haar leden (schild met hond), alsmede door bundeling van krachten en gezamenlijke initiatieven (bundel pijlen in de klauw van de klimmende leeuw). Het oorspronkelijk schild met de leeuw is inmiddels vervangen door een K.A.V.-acroniem. Het zwaard en de Rijksadelaar zijn eveneens pas later toegevoegd.

De Oudherenbond

Externe Links